De Nederlandse inkomstenbelasting is de laatste jaren ingewikkeld geworden. De overheid probeert eigenlijk twee grote doelen te bereiken: het systeem versimpelen en de belastingdruk tussen ondernemers en werknemers gelijktrekken. De eerste doelstelling zal waarschijnlijk ook bij jou een glimlach op je gezicht toveren: versimpelen? Dat lukt niet.

 

Belastingdruk meer in evenwicht tussen ondernemers en werknemers

De wetgever wil de belastingdruk op winst in de vennootschapsbelasting ongeveer gelijk behandelen met de ondernemer met winst als zelfstandige in de inkomstenbelasting.

Let erop dat door de snelle afbouw van heffingskortingen bij hogere inkomens de wèrkelijke belastingdruk vaak hoger is dan het percentage van de hoogste schijf. Door de afbouw van heffingskortingen wordt elke extra verdiende euro meer belast dan de hoogste schijf van 49,5%. We zullen hierna eens wat inzichten delen.

 

Box 1

Heffingskortingen en aftrekposten

Voorheen keek men bij het effect van aftrekposten naar het tarief van de hoogste belastingschijf. Maar tegenwoordig werken heffingskortingen, zoals de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, als een soort van ‘verborgen tarief’.

  • Afbouw heffingskortingen: Hoe meer men verdient, hoe minder korting je krijgt. Dit betekent dat over het topinkomen effectief meer belasting wordt betaald.
  • Aftrekposten en het basistarief: Waar men vroeger zorgkosten, giften of de hypotheekrente mocht aftrekken tegen maximaal het hoogste belastingschijf van 49,5%, worden deze aftrekposten in 2026 belast tegen maximaal het belastingpercentage in de tweede schijf (37,56%) of eerste schijf (35,75%).

Bij de berekening van de drempels voor de aftrek van de zorgkosten en de giften wordt nu gekeken naar het drempelinkomen van de inkomens van box 1, 2 en 3. Voorheen werd alleen gekeken naar het inkomen in box 1. Het effect hiervan is dat de drempel hoger is; het wordt dus lastiger om de aftrekdrempel te halen.

 

Ondernemers

Voor ondernemers (ZZP’ers, eenmanszaken en Vof’s) zijn veel vertrouwde voordelen verdwenen of versoberd:

  • Afbouw zelfstandigenaftrek: Deze vaste aftrekpost wordt aangepast en daalt ieder jaar stapsgewijs (van € 3.750 in 2024 tot € 900 in 2027) met als doel het verschil tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen.
  • Fiscale Oudedagsreserve (FOR): Deze regeling is per 1 januari 2023 afgeschaft.
  • Middeling: Had je wisselende inkomsten? Voorheen kon de belasting over drie jaar worden gemiddeld. Dit kon resulteren in een teruggaaf. Deze regeling is ook per 1 januari 2023 afgeschaft.

 

Box 2 Dividenden

Het dividend uit de eigen vennootschap van directeuren-grootaandeelhouders (DGA’s) wordt belast in box 2. Voorheen gold hiervoor één vast belastingtarief van 25%. Nu zijn er twee schijven (24,5% en 33% in 2026). Dit ontmoedigt het onbeperkt oppotten van winsten in de BV.

 

Box 3 Sparen en beleggen

Het oude systeem waarbij men belasting betaalde over een fictief rendement, is door een uitspraak van de Hoge Raad niet meer houdbaar. Voor nu geldt een overgangswet. De toekomstige wetgeving streeft naar belasting over het werkelijke rendement.

 

Effect op toeslagen en voorzieningen

Belasting staat niet op zichzelf. Een hoger belastbaar inkomen heeft ook effect op toeslagen en andere voorzieningen. Voorbeeld: als men door het vervallen van aftrekposten (zoals de beperkte hypotheekrenteaftrek) een hoger belastbaar inkomen overhoudt, heeft dit mogelijk ook effect op het recht op zorgtoeslag of huurtoeslag. Ook gemeentelijke voorzieningen zijn vaak gekoppeld aan dit inkomen. Een kleine loonstijging kan onderaan de streep dus zelfs negatief uitpakken.

De inkomstenbelasting is verschoven van een systeem met duidelijke tarieven naar een veel lastiger te doorgronden systeem. Hoewel de tarieven in de schijven stabiel zijn, zitten de echte veranderingen in het schrappen en beperken van aftrekposten en de afbouw van heffingskortingen bij hogere inkomens.